Marcel Proust 1 – De kant van Swann
Het heeft jaren geduurd voor ik eraan begon, maar nu dan toch het eerste deel van Op zoek naar de verloren tijd gelezen. Niet eerder heb ik een boek gelezen met zoveel eindeloze uitweidingen, naar ieder zijstapje dat je maar bij een onderwerp kunt bedenken, zulke lange zinnen, terwijl er in het verhaal zo weinig gebeurt dat dit ook in 60 pagina’s beschreven had kunnen worden. Het vreemde is: ik weet niet of ik het nu goed vind of niet… Vooralsnog heb ik me voorgenomen ook deel 2 aan te schaffen, al zal dat wellicht een tweedehandsje worden. En wie weet, misschien volgt daarna deel 3.
Marcel Proust 2 – In de schaduw van meisjes in bloei
In de schaduw van meisjes in bloei is deel 2 van de zevendelige romancyclus die wordt beschouwd als een van de beste van de twintigste-eeuwse wereldliteratuur. Het vergt een fikse inspanning van de lezer van de eenentwintigste eeuw onder meer vanwege de ellenlange zinnen, gelardeerd met bijna even lange bijzinnen. En dat is helemaal niet erg.
“In alle opzichten heeft onze tijd de neiging de dingen alleen te laten zien in combinatie met de objecten waardoor ze in de werkelijkheid omringd worden, zodat het wezenlijke, datgene wat door toedoen van de menselijke geest van de omgeving werd afgezonderd, uit het zicht verdwijnt,” schrijft Proust.
In deel 1, De kant van Swann, gaat verteller Marcel via herinneringen terug naar zijn jongensjaren. Hij verhaalt over zijn initiatie in de liefde en in het complexe salonleven met al haar etiquette aan het einde van de negentiende eeuw. Daarbij spiegelt hij zich aan de intrigerende figuur Charles Swann, op wiens dochter Gilberte hij verliefd wordt. Deel 2 borduurt daarop voort (maar kan afzonderlijk gelezen worden). De ontluikende liefde krijgt vorm. Het speelt zich af in 1897. Marcel wordt volledig beheerst door zijn begeerte. Valt zijn oog op deerne zus, dan verschuift de aandacht onmiddellijk naar deerne zo die toevallig passeert. Dat deze gemoedstoestand niets met liefde te maken heeft, beseft hij maar al te goed. Sterker nog: een mens moet waken voor ware liefde.
“In de werkelijkheid schuilt er in de liefde een permanent leed dat door vreugde getemperd, virtueel gemaakt of uitgesteld wordt, maar wat ieder ogenblik kan worden wat het allang zou zijn als je je zin niet had gekregen, en wel iets gruwelijks.”
Marcel gaat er steevast vanuit dat zijn gevoelens met de begeerde partij worden gedeeld. Proust speelt in op die gemoedstoestand en toont zich regelmatig een ware psycholoog. Naast de werking van het menselijk brein, naast de primaire prikkels, besteedt hij volop aandacht aan secundaire emoties: de beeldende kunst en literatuur van die tijd. Weinig komt de politieke situatie aan bod, al geldt dat niet voor een sluimerend antisemitisme.
“Ik mag niet spelen met Israëlieten,” zei Albertine (EW: het meisje waar Marcel dan zijn zinnen op heeft gezet).
Vrouwvriendelijk schrijft Proust allerminst, zoals bijvoorbeeld blijkt uit:
“Haar haast lelijk geworden gezicht lijkt dan op zo’n saai strand waar de ver teruggetrokken zee met steeds dezelfde weerschijn, begrensd door een onveranderlijke horizon, verveling oproept.” Marcel bevindt zich in het fictieve kustplaatsje Balbec, geïnspireerd door de badplaats Cabourg waar Proust zeven zomers lang in het Grand-Hotel verbleef.
Uiterlijk vertoon en de salonfähige urgentie slechts die personen aandacht te schenken via wie je kunt groeien op de sociale en/of maatschappelijke ladder, zijn allesbepalend in het milieu waarin Marcel verkeert.
Dat Marcel een dweepzieke relatie met zijn moeder heeft, blijkt uit het volgende als hij samen met zijn grootmoeder Parijs verlaat voor een zomer aan het strand in Balbec:
“… vertelde ik mijn grootmoeder hoe blij ik was dat we naar Balbec gingen, dat ik voelde dat alles van een leien dakje zou gaan, dat ik best snel zou wennen aan een leven zonder mama …” Tja, en dat zo rond je twintigste levensjaar. Voor minder wordt tegenwoordig een psycholoog of psychiater geraadpleegd.
Na lezing van deel 1 van de cyclus, schreef ik: ‘Het vreemde is: ik weet niet of ik het nu goed vind of niet… Vooralsnog heb ik me voorgenomen ook deel 2 aan te schaffen, al zal dat een tweedehandsje worden. En wie weet, misschien volgt daarna deel 3.’ Deel 2 heb ik ten slotte nieuw aangeschaft, de delen 3 en 4 – nieuw – staan inmiddels in de kast. Ik kan u nu al verklappen dat ik de zevendelige serie wil uitlezen, ondanks de vele oeverloos lange uitweidingen. Maar wát een proza is dit!
Marcel Proust 3 – De kant van Guermantes
Speelde deel 2 zich voornamelijk af in de badplaats Balbec, deel 3 – De kant van Guermantes – is gesitueerd in Parijs. De familie is verhuisd en woont naast het particuliere hotel van hertog Basin en (de veel jongere) hertogin Oriane de Guermantes. Zij worden gezien als een belangrijk koppel in de hoogste adellijke kringen, de faubourg Saint-Germain. Als kind al bewonderde Marcel deze voorname familie. Was cultuur door het tweede deel van de romancyclus verweven en speelde politiek daar een ondergeschikte rol, in deel 3 is dat omgekeerd. Met name de Dreyfusaffaire – de Joods-Franse officier André Dreyfus zou hebben gespioneerd voor het Keizerrijk Duitsland – verdeelt de samenleving in ‘Dreyfusards’ en ‘anti-Dreyfusards’. Marcel is inmiddels een twintiger en evenals in deel 2 wordt hij verteerd door begeerte al beperkt dit zich nu naar een enkele vrouw: hertogin De Guermantes.
“Maar hier, in de meest toonaangevende salon van de faubourg Saint-Germain, in de donkere galerij, waren er uitsluitend zulke mensen. Zij waren de uit een kostbare materie bestaande zuilen die de tempel torsten.”
Marcel probeert toegang te krijgen tot deze kringen. Dagelijks zorgt hij ervoor dat zijn pad dat van hertogin De Guermantes kruist, maar zij slaat geen acht op hem. Als hij vanwege zijn schrijfambities wordt uitgenodigd door markiezin De Villeparisis (van wie de spraakmakende Mémoires zijn verschenen), gloort er hoop. Toch heeft hij de hulp nodig van zijn trouwe vriend Robert Saint-Loup, die in deel 2 een belangrijke rol speelde, een tante-zegger tegen de hertogin. Deze echter heeft zo zijn eigen problemen. Smoorverliefd als hij is, laat hij zich door een platvloers snolletje uitkleden, letterlijk en figuurlijk. Tienduizenden francs spendeert hij aan ‘Rachel quand du Seigneur’, een meisje dat Marcel ooit voor enkele centimes in een bordeel heeft bezeten. Uiteindelijk weet Marcel tot de faubourg Saint-Germain door te dringen.
Tijdens die bijeenkomsten bij de De Guermantes ontmoet Marcel zijn vroegere (Joodse) vriend Bloch. Oriane de Guermantes, een rabiate anti-dreyfussard ofwel antisemiet, schoffeert de jongeman. Sowieso viert (verkapt) antisemitisme hoogtij in deze voorname milieus, Robert vormt daarop geen uitzondering. Zo wil hij niet voorgesteld worden aan madame Swann (moeder van Marcels liefje Gilberte uit deel 1 van de cyclus). Overigens speelt dit antisemitisme in geval van hun wederzijdse vriend Bloch geen rol bij Saint-Loup. Nu Marcel zijn doel heeft bereikt, nauw contact met zijn idool, taant zijn belangstelling voor haar. Meer en meer raakt hij geïnteresseerd in de onderlinge connecties tussen de verschillende families en de huwelijkse banden die al eeuwen her gesloten werden om bezit en macht veilig te stellen. Deze beschrijvingen vullen honderden pagina’s van het boek en het is soms stevig doorbijten om de moed niet te verliezen en verder te lezen. Dat antisemitisme in dit milieu volledig is geaccepteerd, blijkt uit een schrijnend voorbeeld wanneer baron De Charlus aan Marcel vraagt of hij ‘enige festiviteiten’ kan organiseren.
“… misschien zelfs feestjes waar je kan lachen. Bijvoorbeeld een gevecht tussen uw vriend (EW: Bloch) en zijn vader, waarbij hij hem dan verwondingen toebrengt zoals David Goliath. Dat zal wel een klucht opleveren. Hij zou zelfs, als hij toch bezig is, wat flinke meppen kunnen uitdelen aan zijn kreng, of zoals mijn oude dienstbode zou zeggen zijn karonje van een moeder.”
Als Marcel de baron vertelt dat mevrouw Bloch is overleden, reageert de baron met: “Dat was heel verkeerd van die vrouw om dood te gaan.” Zo ontneemt zij hem namelijk een ‘festiviteit’ waarop hij zich bij voorbaat zat te verkneukelen.
Wanneer Albertine hem plotseling in Parijs komt opzoeken, het onbereikbare meisje uit Balbec, kruipt Marcel direct met haar tussen de lakens, waarbij hij zijn gedrag op wonderbaarlijke wijze legitimeert:
“Zeer zeker is het verstandiger je leven aan vrouwen te wijden dan aan postzegels, oude tabaksdozen of zelfs schilderijen en beelden. Alleen, aan deze andere collecties zou je het voordeel moeten nemen om voor afwisseling te zorgen, om niet één vrouw te hebben, maar vele.”
In De kant van Guermantes toont Proust de lezer vooral de mores van de Franse elite in die vroege jaren van de twintigste eeuw. Daarnaast introduceert hij de aanloop tot WO-I middels de oplopende spanningen tussen het Duitse Keizerrijk en Frankrijk. Waar zal hij ons in deel 4, Sodom en Gomorra, heenvoeren?
Marcel Proust 4 – Sodam en Gomorra
In dit vierde deel van de cyclus speelt ‘de’ liefde een belangrijke rol. Nog altijd gedraagt Marcel zich als het verwende, elitaire kind uit de vorige delen, al heeft hij inmiddels zijn tienerjaren achter zich gelaten. Ook de Joodse kwestie speelt meermaals op:
“Maar tot nu toe ben ik zo goedgelovig geweest om te denken dat een jood een Fransman kon zijn, ik bedoel een fatsoenlijke jood, een man van onze wereld. En dat was Swann in de volle zin van het woord.”
Buiten de escapades van baron De Charlus – zijn gedrag suggereert homoseksuele neigingen, die vanwege de status van de baron door de vingers worden gezien – vormt het verlangen van Marcel naar Albertine de rode draad van het verhaal. En o wee als het niet helemaal gaat zoals Marcel het gepland heeft.
“Ik was haar niet langer welgezind; in haar bijzijn, buiten haar bijzijn als de kans bestond dat het haar werd doorverteld, sprak ik over haar op de meest grievende manier.”
En dat alles in de beklemmende sfeer van het societyleven. Hoe belangrijker je bent, of hoe meer aanzien men je toekent, hoe meer afstand je ervan neemt. Ogenschijnlijk, vanzelfsprekend:
“Als u zo oud bent als ik zult u merken dat het maar heel weinig om het lijf heeft, het societyleven, en dan zal het u spijten dat u zoveel waarde hechtte aan die onbenulligheden.”
Op meerdere plaatsen laat Marcel zich kwetsend uit over Albertine, iets waarmee hij zijn eigen verlies meer lading geeft. Zijn jaloezie kent geen grenzen. Ondanks dat hij de lezer wil doen geloven dat Albertine nauwelijks meer dan een speeltje voor hem is, moet en zal hij haar schaken. Dat de achtergrond van het societyleven daar niet altijd even behulpzaam bij is, spreekt in dezen vanzelf: Albertine kan zich niet meten met de sociale klasse van Marcel en diens kornuiten.
Het is opmerkelijk hoe Proust openlijk over homofilie schrijft in Sodom en Gomorra. De afkeer van ‘dergelijke types’ uit hij vooral middels uitspraken van derden. Er valt echter niet te ontkennen dat het hem intrigeert. Zo ook de Joodse kwestie, Dreyfusards versus anti-Dreyfusards. Racisme speelt in dit vierde deel van de serie nog altijd door de regels heen en treedt regelmatig op de voorgrond, bijvoorbeeld in de onderlinge relaties die voorname personen hebben.
Ter afsluiting nog een voorbeeld van het beeldend taalgebruik, waarin Proust welhaast onovertroffen is: “De vrouw had een rond gezicht zoals sommige bloemen van de ranonkelfamilie, en bij haar ooghoek een vrij groot gewasachtig groeisel. En aangezien evenals een plantenfamilie de geslachten der mensen hun kentekens behouden, zwol zoals op het verwelkte gezicht van de moeder hetzelfde groeisel, dat had kunnen strekken tot classificatie van een variëteit, eveneens onder het oog van de zoon.” Alleen daarom al nodigt Sodom en Gomorra uit tot het lezen van de drie vervolgdelen.
Marcel Proust 5 – De gevangene
De titel van dit vijfde deel in de serie had evengoed meervoud als enkelvoud kunnen zijn: De gevangenen. De rode draad van het verhaal betreft de relatie tussen Marcel en Albertine. Een aanzienlijk aantal pagina’s is echter gewijd aan de verhouding tussen baron M. de Charlus en de violist Morel. Zoals Albertine ‘de gevangene’ is van Marcel, zo is Morel de gevangene van de baron.
Marcel en Albertine zijn van Balbec teruggekeerd naar Parijs. Albertine heeft daarbij haar intrek genomen in de ouderlijke woning van Marcel. Eindelijk heeft hij haar in zijn macht, zij “die ik amper meer knap vond en bij wie ik me verveelde, van wie ik duidelijk het gevoel had niet te houden…” Wederom speelt zijn ziekelijke jaloezie op. Hij onderkent deze “kwaal” waaronder hij lijdt, maar ziet geen reden daar iets aan te veranderen. Hij huurt zelfs derden in om Albertine in de gaten te houden, zoals haar vriendin Andrée. Die hij dan weer wantrouwt, want heeft zij niet ooit ‘iets’ gehad met Albertine? Intussen houdt Marcel zijn huisgenote voor zijn vrienden verborgen (uit vorige delen blijkt dat Albertine uit een minder gefortuneerd milieu stamt dan Marcel, bovendien is zijn moeder niet van het meisje gecharmeerd). De schijn ten opzichte van ‘de society’ moet en zal opgehouden worden.
Albertine blijkt zich te hebben ontwikkeld, “wat mij (EW: Marcel) volslagen om het even was, aangezien de verstandelijke gaven van een vrouw mij altijd zo weinig geïnteresseerd hebben…” Zij heeft dondersgoed in de gaten dat zij bespioneerd wordt, maar probeert er het beste van te maken. Is het uit liefde of slechts opportunisme om sociaal op te klimmen? En hoe rijmt dat met haar liefde voor vrouwen? Ook dat laat Marcel niet onberoerd, al prikkelt het hem tegelijkertijd:
“Ze had waarschijnlijk een relatie met hen, en trouwens ook met Esther, Blochs (EW: uit eerdere delen; Joodse vriend van Marcel uit tienertijd) nicht.”
Marcel gelooft – soms terecht – niets van de uitvluchten en excuses die Albertine hem opdist nadat hij haar heeft betrapt op gedrag dat hem niet aanstaat, of nadat hij verdachtmakingen uit het roddelcircuit heeft vernomen. Volgens Marcel zijn vooral vrouwen meesterlijke leugenaars, al kan hij er zelf ook wat van.
Ook in dit deel komt de Dreyfus-affaire zijdelings ter sprake, evenals de manipulatieve relatie tussen M. de Charlus en de gewiekste, bij de baron inwonende, violist Morel. De zestigjarige baron heeft een aversie tegen mannen die vallen op andere mannen. Dat dit geheel in tegenspraak is tot de avances die hijzelf richting jonge mannen maakt, wil hij niet inzien.
“M. de Charlus zou het zelf niet hebben begrepen, hij die zijn manie verwarde met vriendschap …”
“U weet hij (EW: Morel) is voor mij een goed vriendje, voor wie ik de grootste genegenheid heb, zoals, daar ben ik zeker van, hij voor mij heeft, maar iets anders is er niet tussen ons, niet dat, begrijpt u wel, niet dat.”
Daarbij speelt mee dat zijn gedrag niet wordt veroordeeld door zijn omgeving. In de society knijpt men een oogje toe, aangezien De Charlus bovenaan de sociale ladder staat. En bestaat een groot deel van de mensheid, mannen en vrouwen, niet uit hen die “zo zijn”, met dergelijke “neigingen”? Volgens de mensen om hem heen is de baron juist een bijzonder preuts man, van zeer strenge zeden.
Niet alleen de machtsfactor speelt bij zowel Marcel als De Charlus een rol, die van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht doet dat evenzeer. Weliswaar kent Marcel dergelijke gevoelens nauwelijks, Albertine geeft regelmatig blijk van haar liefde voor vrouwen. Beide mannen wantrouwen hun ‘protegé’ zonder enige vorm van zelfreflectie. Zo stelt Marcel: “Overspel brengt de geest tot leven in de zeer vaak dood gelaten letter van het huwelijk.”
De baron en Marcel zijn bang hun geliefden te verliezen. Ten gevolge van een kwaadaardige roddel overkomt het de baron inderdaad. Tot zijn verbijstering. Voor het eerst van zijn leven weet hij niets te zeggen, is hij handelingsonbekwaam. Marcel daarentegen besluit de regie in eigen hand te houden. Mocht zijn ‘gevangene’ hem willen verlaten, dan zal hij haar voor zijn. Voor hij beseft wat hij heeft aangericht, is het kwaad echter geschied…
Marcel Proust 6 – De voortvluchtige
Deel 5 sluit af met het vertrek van Albertine. Tegen de verwachtingen van Marcel in is zij gevlucht uit zijn ‘gevangenschap’. Hij was met haar gaan samenwonen om haar te behouden, om haar in de gaten te kunnen houden en haar te beletten affaires met vriendinnen aan te gaan. Vlak voor haar vlucht echter had hij zichzelf ervan proberen te overtuigen dat hij haar “middelmatigheid en geneugten” zat was en eigenlijk van haar wilde scheiden. Nu Albertine zelf het initiatief heeft genomen, liggen de kaarten anders. Koste wat kost zal hij achter haar verblijfplaats komen, waartoe hij zijn vriend Robert Saint-Loup opdracht geeft. Hij geeft Saint-Loup een brief voor Albertine mee:
“… En ik vind, zolang ik er nog voor ontvankelijk ben weer van u te gaan houden, wat niet meer lang het geval zal zijn, dat het dwaas is om, voor een zeilboot en een Rolls-Royce, elkaar te ontmoeten en uw levensgeluk op het spel te zetten, immers dat is, zo meent u, ver van mij vandaan te leven. …”
Kortom: hij probeert Albertine, een meisje van beduidend bescheidener afkomst dan Marcel, met dure beloften tot terugkeer te bewegen. Maar deze keer is hij de regie echt kwijt. Zeker als Albertine hem nadat Saint-Loup haar heeft gevonden, een telegram stuurt waarin zij “IK ZOU MAAR AL TE GRAAG ZIJN TERUGGEKOMEN” vermeldt.
Nu Marcel ervan verzekerd denkt te zijn dat hij de troefkaart weer in handen heeft, vergrijpt hij zich aan ieder jong meisje dat op zijn pad komt. Wederom blijkt hieruit de dubbele moraal van Marcel: híj mag wel overspel plegen, maar is als de dood dat zij maar naar iemand – man én vrouw – kijkt. Al zijn energie steekt hij erin bewijzen te verzamelen over Albertines amoureuze avontuurtjes met meisjes/vrouwen. Om Albertine te kwetsen, zet hij zijn zinnen daarbij tevens op haar beste vriendin Andrée.
Natuurlijk loopt het niet zoals Marcel zich heeft voorgesteld. Een telegram van Mme Bontemps, de tante van Albertine waar zij haar toevlucht heeft gezocht, gooit zijn hele wereld overhoop. “Alleen een werkelijk afsterven van mijzelf (maar dat is onmogelijk) kon mij troosten…” Soms dringt er nu enige zelfreflectie door:
“Onze fout is onverschillig te blijven voor andermans liefheid en intelligentie. […] Want heel dikwijls, om te merken dat wij verliefd zijn, misschien wel om het te worden, moet de dag van de scheiding zijn gekomen.”
En hij besluit haar te vergeven.
Op zeker moment schrijft Proust letterlijk een zin die zo krachtig in de serienaam is gevat:
“Het hardnekkig voortduren in mij van een oude aanvechting om te gaan werken, de verloren tijd goed te maken, een ander leven te gaan leiden, of veeleer het leven te beginnen, gaf mij de illusie dat ik nog steeds even jong was.”
Die verloren tijd, de eeuwige jeugd waar Marcel naar blijft zoeken… Hij probeert meisjes van een jaar of zestien te veroveren, hij stelt zich voor hoe “pafferig” en “verouderd” Albertine er nu zou hebben uitgezien. Dan wordt hij verrast door een bericht van Gilberte, zijn eerste grote (puber)liefde, waarmee de lezer kennismaakt in deel 1 van de reeks, De kant van Swann. Tot zijn verbazing verschijnt ook Saint-Loup weer ten tonele, die “neigingen” blijkt te vertonen die hij nooit achter zijn vriend had gezocht. In moreel opzicht heeft hij daar overigens volstrekt geen problemen mee.
In de Volkskrant van 19 november 2022 schreef Wilma de Rek naar aanleiding van de honderdste sterfdag van Proust (18-11-1922): “… nog steeds actueel. En echt goed te lezen.” Dat van die actualiteit klopt in het kader van vloeiende identiteiten. Proust worstelt daar echter terdege mee (denk aan het gebruik van het woord “neigingen” als personen zich seksueel tot mensen van hetzelfde geslacht verhouden). In hetzelfde stukje stelt Ieme van der Poel ten onrechte: “… hoog tijd om het cliché van wereldvreemde dandy die ellenlange zinnen schreef naar het rijk der fabelen te verwijzen.” Proust was wel degelijk een dandy, wat blijkt uit zijn kijk op macht en status in relatie tot mensen die het minder getroffen hebben. De serie barst van de ellenlange zinnen. In dat opzicht is “goed te lezen” uitsluitend die liefhebbers gegeven die ervoor willen werken, die hun best doen dit magnum opus te doorgronden. Op naar het laatste deel, De tijd hervonden!
Marcel Proust 7 – De Tijd hervonden
Robert Saint-Loup wekt de indruk bij zijn vrouw Gilberte dat hij vreemdgaat met andere dames. Vreemdgaan doet hij zeker: met mannen. Hij is vooral gecharmeerd van Charlie Morel, de voormalige minnaar van M. de Charlus. Deze gewiekste violist heeft ook Robert in zijn ban. Marcel werpt zich op als betrokken vriend, voor zowel Gilberte als Robert. Daarnaast piekert hij steeds vaker over zijn uitgestelde roeping: wordt het niet eens tijd zich aan de letteren te wijden, of moet hij zijn vermeende “gebrek aan aanleg voor de letteren” onder ogen zien?
De Eerste Wereldoorlog gooit het leven overhoop. Robert probeert onder zijn dienstplicht uit te komen, maar als hij ten slotte toch wordt opgeroepen, neemt hij vastberaden de leiding over zijn korps. Ook Bloch wordt, ondanks zijn bijziendheid, opgeroepen. Morel daarentegen weet zich te drukken. De maatschappij kantelt:
“Terwijl een eigenaardige verschuiving – en dit in alle rangen en standen – mensen als Saint-Loup die het verst van deze praktijken afstonden tot geïnverteerden (EW: homoseksuelen) had gemaakt, raakten degenen bij wie ze volstrekt gebruikelijk waren geweest er door een verschuiving in omgekeerde zin van vervreemd.”
De eerste jaren van de oorlog blijft het Franse volk optimistisch over de afloop. Zij geloven wat zij lezen in de kranten.
M. de Charlus heeft ondertussen andere problemen. Door zijn gemengde afkomst, hij stamt deels uit een Beiers adellijk geslacht, verdedigt hij de Duitsers ten opzichte van de Fransen en vice versa. Terwijl de bevolking treurt over alle gebouwen en cultuur die verwoest worden ten gevolge van de oorlog, rouwt M. de Charlus over de vele jonge mannen die als kanonnenvoer vertrekken. Niet alleen zijn dubbele sympathie speelt hem parten, ook de maatschappelijke verhoudingen keren zich tegen hem, hij die ooit de top van de sociale ladder aanvoerde. Daarnaast beschrijft Proust zeer uitgebreid een SM-scène waarbij De Charlus betrokken is.
Na de oorlog ‘versnelt’ Proust de Tijd, zoals hij die nu consequent met een hoofdletter schrijft. De mensen om hem heen veranderen in slechts enkele jaren tijd tot onherkenbare vette padden met uitgezakte gezichten (bijvoorbeeld Gilberte, die aan het begin van de oorlog nog zo’n knappe jonge vrouw was, maar ook Bloch die wordt beschreven als een bedaagde bankier). De beau monde verandert en zij die ooit tot de society behoorden doen er steeds minder toe. Ook al hunkert Marcel nog steeds naar tienermeisjes, zelfs naar meisjes die hij nog nooit heeft gezien, toch zet hij zich aan zijn “oeuvre om niet meer door afleidingen van het moment te worden tegengehouden”. Tenslotte is er al te veel tijd verloren. Daarbij merkt hij op zeker moment op dat het werk vergankelijk is:
“Maar men moet in de dood berusten. Je aanvaardt de gedachte dat over tien jaar jijzelf, over honderd jaar je boeken er niet meer zullen zijn. De eeuwige duur is voor een oeuvre evenmin weggelegd als voor een mens.”
In dat laatste heeft hij zich danig vergist. Proust lezen betekent werken, ellenlange betogen doorworstelen, zinnen van een halve pagina of meer tot je nemen en het gedweep met jonge meisjes ondergaan, evenals de dandyachtige protagonist Marcel leren omarmen. Ondanks dat het een opluchting is de laatste van de ongeveer 4000 pagina’s tellende delen 1 tot en met 7 te hebben afgerond, ga ik Marcel missen!
