Het idee bestaat dat de Joden zich tijdens WO-II als willoze lammeren lieten afvoeren naar de vernietigingskampen. Niets is minder waar, zoals historicus Ben Braber in Omdat ik geen lam voor de wolven wil zijn aantoont aan de hand van een aantal persoonlijke geschiedenissen. Zowel bij Joodse als bij algemene verzetsgroepen sloten Joden zich aan.
“Een relatief groot aantal Joden deed dat in vergelijking met niet-Joden. Joden waren eveneens voortrekkers van gewapend verzet.”
“* Het verzet door Joden is van Duitse zijde evenzeer overschat als van niet-Joodse Nederlandse zijde onderschat.
* Dit verzet van Joden heeft kwantitatief – natuurlijk relatief – het niet-Joodse overtroffen.”
Van de ruim honderdduizend Joden in Nederland, voordat de vlucht vanuit Duitsland, Oostenrijk, Polen en Tsjechoslowakije eind dertiger jaren op gang kwam (nog eens circa 15.000 personen), woonde circa 60% in Amsterdam. Begin jaren dertig waren vier van de zes Amsterdamse wethouders van Joodse origine. Dagblad De Telegraaf ageerde daar fel tegen en hield vanaf midden dertiger jaren het Jodendom verantwoordelijk voor het communistisch gevaar. De redactie flirtte openlijk met het nationaalsocialistisch gedachtengoed.
In dit boek over het Joodse verzet in Nederland in de Tweede Wereldoorlog belicht Braber dat verzet vanuit verschillende personen. Van enige organisatie was vaak geen sprake, verzetsgroepen functioneerden als – soms tijdelijke – individuele groepen. Het hielp daarbij niet dat er een strijd gaande was tussen de Joodse leiding in Nederland. Zo wilde de Joodse Raad met de bezetter samenwerken om het leed tot een minimum te beperken. Dit tot weerzin van advocaat Lodewijk Visser, telg uit een vooraanstaande Joodse familie. Hij schreef de Joodse Raad:
“Het is mogelijk, dat tenslotte de bezetter zijn doel met ons zal bereiken, maar het is onze plicht, als Nederlanders en als Joden, alles te doen wat hem het bereiken van dat doel zal belemmeren, alles na te laten, wat die weg voor hem kan effenen. Dat doet gij niet!”
Sommige verzetsgroepen vonden hun oorsprong in jeugdige branie, zoals de verzetsgroep CS-6, waar de twintigjarige rechtenstudente Truus van Lier zich bij aansloot en vooral koerierswerk verrichtte. Een aantal jonge mannen had zich bij de groep aangesloten om te bewijzen dat zij ‘dapper’ waren.
Sommige groepen stelden zich principieel geweldloos op. Bij andere groepen leidden represailles van de bezetter tot steeds meer twijfel. Was de dood van onschuldige burgers – represaillemaatregel van de bezetter – het waard een enkeling te bevrijden of een sabotageactie uit te voeren? Tenslotte bleek het gros van de verzetsmensen uit goedwillende, soms wat naïeve individuen te bestaan die, vaak vanuit persoonlijke overwegingen, de strijd met de bezetter aanbonden. Veel sabotageacties strandden in goede bedoelingen met arrestaties tot gevolg waarna niet zelden executie volgde. Over de aard van het verzet kwam ook Simon Vestdijk tot die conclusie in zijn magistrale roman Pastorale 1943, uit 1948.
Doordat Braber het Joodse verzet aan de hand van een aantal individuele gevallen met ieder een eigen hoofdstuk presenteert, wordt het invoelbaar. Omdat hij echter bij iedere protagonist legio andere namen aanstipt, vele zijpaadjes bewandelt, verliest hij regelmatig die hoofdpersonen min of meer uit het oog. ‘en wist je van X, en trouwens ook dat Y, want A, vanwege B die bevriend was met C’ ontkrachten dan weer die persoonlijke geschiedenissen die misschien beter en vollediger uitgediept hadden kunnen worden door er minder gerelateerde personen bij te slepen. Na lezing van Omdat ik geen lam voor de wolven wil zijn kun je echter nooit meer beweren dat de Joden zich door de bezetter als makke schapen lieten afvoeren.
