Tijdens de laatste stuiptrekkingen van het Derde Rijk probeert een vrouw in het platgebombardeerde Berlijn te overleven. Eind april dendert het Russische leger de stad binnen. Burgers vluchten massaal naar schuilkelders waar de (hygiënische) omstandigheden en het voedseltekort hun al snel parten spelen. Zelf is de schrijfster ingetrokken bij een weduwe en haar ziekelijke huurder. De angst voor ‘Ivan’ is levensgroot. Ook de protagonist wordt het slachtoffer van rovende en verkrachtende Russische soldaten. Buiten het seksueel geweld, zijn de vrouwen slachtoffer van walgelijke vernederingen.
“Opeens vingers bij mijn mond, stank van paarden en tabak. Ik sper mijn ogen open. Handig wrikken de vreemde handen mijn kaken van elkaar. Oog in oog. Dan laat de man boven me bedachtzaam het in zijn mond opgespaarde spuug in mijn mond vallen.”
Om te overleven is het zaak de vijand niet tegen te werken. Om niet ten prooi te vallen aan vele dronken soldaten, beseft ze dat je een beschermheer moet vinden, iemand met gezag die de beesten in toom kan houden. Zij vindt hem in een beschaafde Russische officier. Ook hij is er voor zijn gerief, al vraagt hij toestemming voor hij haar lichaam neemt. Hij voorziet de twee vrouwen en de patiënt van allerhande levensmiddelen en schaarse producten als vlees en suiker.
“… of ik mezelf nu een hoer moet noemen, aangezien ik feitelijk van mijn lichaam leef en het beschikbaar stel om aan levensmiddelen te komen.”
Er zijn nauwelijks Duitse mannen achtergebleven in de stad, mannen over wie door de Russen met minachting wordt gesproken. Het is geen volk van partizanen, maar van volgers die handelen op basis van bevelen. Duitse mannen gruwen van eigenmachtig, illegaal optreden.
“ ‘Onze Duitse kameraden bestormen een station alleen wanneer ze van tevoren geldige perronkaartjes hebben gekocht.’ ” zo drijft een Rus de spot met hen.
Na de oorlog wordt er in het ziekenhuis een controlepost voor verkrachte vrouwen ingericht. De vrouwen zijn de schaamte voorbij. Het is slechts enkelen gelukt uit handen van de verkrachters te blijven, óf door te zijn ondergedoken, óf doordat zij bijvoorbeeld zeer jonge kinderen hadden om voor te zorgen. Bij het aanschouwen van die bloedjes, smolt zelfs de meest geharde Russische ziel.
De ‘Anoniem’ van dit dagboek betreft de (foto)journaliste Marta Hillers. De schrijfster vertelt het verhaal feitelijk, in dagboekvorm. Zij creëert daarmee afstand tot het ondergane leed. Een Vrouw in Berlijn doet denken aan de roman Honger (1890) van de Noorse schrijver Knut Hamsun. Nadat haar notities voor het eerst in de VS waren verschenen onder de titel A Woman in Berlin (1954), werd de vrouw door de Duitse pers verketterd vanwege haar openhartige beschrijvingen. Zij zou de Duitse vrouw bezoedeld hebben met haar werk. Een Duitse editie verscheen in 1959 bij een kleine uitgeverij in Genève. Naar aanleiding van de aanvallen en beledigingen bepaalde Hillers dat een heruitgave van haar werk niet eerder mocht plaatsvinden dan na haar dood. Het was haar uitdrukkelijke wens anoniem te blijven. Marta Hillers overleed in 2002.
